Er ligt een dode vogel
op mijn tuintafel.
Daarnet zat hij nog
als opgewonden jonge spreeuw
op de takken
van de toverhazelaar
van de buren.
Hij loerde naar
wormpjes en zijn
levenslust gloeide
als kokend lava door
zijn aderen.

Andere vogels landden
naast hem,
aanpassing,
onrust,
ruzie,
oorlog.
Als een woeste horde
fladderden ze uiteen
naar mijn
slaapkamerraam.

De roedel zag
dat ze op een
doodlopende weg zaten.
Hij probeerde mijn
dubbelgeïsoleerde
raam met 10 jaar garantie
te klieven.

De onrust woedde als
een bruisende vulkaan
in zijn hoofd.
De belediging,
de vrouwtjes,
het territorium.

De onrust in zijn hoofd,
De onrust in mijn hoofd.